Controlerende rol, het ondergeschoven kindje

“Er komt veel energie los!” riep het raadslid enthousiast na een avond met inwoners en stakeholders. “We moeten als raad kaders stellen en dat begint met de omgevingsvisie. En vooral met de betrokkenheid van de samenleving”. Bij de implementatie van de Omgevingswet komen twee van de drie rollen van de raad helemaal tot hun recht: de kaderstellende en de volksvertegenwoordigende. Maar hoe zit het met de controlerende? “Er valt nog weinig te controleren”, zei het raadslid in kwestie met beduidend minder enthousiasme, “dat komt later pas. Ooit …” Het was duidelijk niet zijn favoriete rol. En dat geldt jammer genoeg voor meer raadsleden.

Kaderstellen en controleren zijn twee zijden van dezelfde medaille.

De drie rollen van het raadslid worden vaak in één adem genoemd: volksvertegenwoordigen, kaderstellen en controleren. Omdat iedereen zijn raadslidmaatschap naar eigen inzicht invult worden die rollen gebruikt als kapstok voor democratisch functioneren en als gezamenlijk referentiekader. “Volksvertegenwoordigen” is eigenlijk geen rol. Volksvertegenwoordiger bén je. Met al je ambities, dromen en opvattingen. En samen met de collega’s in de raad vertegenwoordig je (conform artikel 7 van de Gemeentewet) de gehele bevolking van de gemeente. De genoemde ambities vertaal je vervolgens in kaders. Dat wil zeggen dat je keuzes maakt, prioriteiten stelt en richting geeft. De implementatie van de Omgevingswet biedt volop kansen om aan ambities op het gebied van wonen, duurzaamheid, gezondheid, participatie, noem maar op, te werken en om die ambities te realiseren. Die kaders worden door of voor de raad in prachtige teksten opgeschreven in de omgevingsvisie, in andere visies, plannen en ook in de programmabegroting. Wat willen we bereiken, wat gaan we ervoor doen en wat mag het kosten? De raad aan het roer, dat is actie, dat geeft energie.

Maar hoe weet je of het de goede kant opgaat met je visie en je kaders? Misschien wil je als raadslid (bij)sturen of andere accenten leggen. Kun je eigenlijk de vraag beantwoorden: waar staan we nu bijvoorbeeld met de implementatie van de Omgevingswet? Zijn we goed bezig? Moet er een schepje bovenop of is het tempo oké? Dan is het zeker belangrijk om een vinger aan de pols te houden. Hoe? Er zijn verschillende manieren om dat te doen. Door bijvoorbeeld de programmarekening of andere rapportages goed te lezen. Wat wilden we ook alweer bereiken, wat hebben we daarvoor gedaan en wat heeft het gekost. Door de eigen hulptroepen (griffie, accountant en rekenkamer) te vragen om te helpen met het begrijpen van de effecten van beleid. Door mondelinge of schriftelijke vragen te stellen aan het college van B&W.

Controle lijkt ergens wel het zoeken naar een stok om mee te slaan. De raad tikt het college op de vingers, omdat iets niet (goed) is gebeurd. Het risico is dat dit wantrouwen leidt tot het dichttimmeren van zaken en het verlies aan transparantie. Als je in de geest van de Omgevingswet dingen op een andere manier wil doen, dan moeten fouten mogen. Hoe moet je anders met elkaar leren. Dan is juist ruimte en vertrouwen nodig. Wat onderlinge afspraken en spelregels zijn dus onmisbaar. Bij controle denken we ook vaak aan details. Maar het gaat niet om het vinden van een reken- of spelfout in stukken van het college. De raad controleert, net als bij kaderstelling, op hoofdlijnen.

Al met al is de controlerende rol van het raadslid ten onrechte het ondergeschoven kindje. Kaderstellen en controleren zijn twee zijden van dezelfde medaille, ze zijn verbonden en kunnen niet zonder elkaar. De raad moet dus controleren, niet te veel, niet te vaak, en vooral in samenhang met de gestelde kaders. Kaders en controle stellen het raadslid in staat om verantwoording af te leggen aan de samenleving. En zo hangt weer alles met alles samen.

About the Author: Pascale Georgopoulou

Nieuwe wegen | Verbinden, Kennisdelen, Wereldverbeteren | #griffiers | go&c | Hart voor de publieke zaak | Schrijft verhaaltjes |